Tourist Information Guide

Politieke en economische systeem in Spanje

Page Content

Deze pagina bevat een samenvatting van de politieke en economische systemen in Spanje.

Regering

Type: Constitutionele monarchie (Juan Carlos I werd op 22 november 1975 tot koning gekroond).
Constitutie: 1978.
Takken: Uitvoerende president van een regering benoemd door de koning, onderhevig aan goedkeuring door het democratisch gekozen Congres van Afgevaardigden. Wettelijk - Bicameral Cortes: een Congres van Afgevaardigden met 350 zetels (gekozen door het systeem van d'Hondt van proportionele representatie) en een Senaat. Vier senatoren worden in elk van de 47 provincies gekozen, 16 worden er gekozen uit de drie eilandprovincies, en Ceuta en Melilla kiezen er elk twee; dit levert 208 senatoren op. Het parlement van de 17 zelfstandige regio's kiezen ook een senator net als een aanvullende senator per 1 miljoen inwoners binnen hun territorium (ongeveer 20 senatoren). Juridisch - Constitutionele Tribunaal bezit de jurisdictie over constitutionele zaken. Het Supreme Tribunal bestaat uit het systeem met territoriale, provinciale, regionale en gemeentelijke rechtbanken.
Subdivisies: 47 provincies en drie eilandprovincies; twee enclaves aan de Mediterraanse kust van Marokko (Ceuta en Melilla) en drie eilandengroepen aan de kust - Alhucemas, Penon de Velez de la Gornera en de Chafarinas-eilanden.

Politieke partijen: Spaanse Socialistische Arbeiderspartij (PSOE), Volkspartij (PP) en de Verenigde Linkse (IU) coalitie. Belangrijke regionale partijen zijn de Convergence en Union (CIU) in Catalonië en de Baskische Nationalistische Partij (PNV) in Baskenland.


Economie

BNP (2004): $955,1 miljard in huidige prijzen (zevende grootste Organisatie voor Economische Samenwerken en Ontwikkeling - OESO - economie).
Jaarlijks groeipercentage: 2,5%.
BNP per inwoner: $22.421.
Natuurlijke bronnen: Koolstof, ligniet, ijzergoud, uranium, kwikzilver, pyriet, fluoriet, gips, zink, lood, wolfraam, koper, kaolien, hydro-elektrische stroom.
Landbouw en visserij (2,9% van BNP, 2004 ong.): Producten - granen, groenten, citrus- en vergankelijk fruit, wijn, olijven en olijfolie, zonnebloemen en vee.
Industrie (17,3% van BNP, 2004 ong.): Soorten - bewerkt voedsel, textiel, schoenen, petrochemie, staal, automobiel, consumentenproducten, elektronica.
Handel (2003): Export - $137,8 miljard: automobiel, fruit, mineralen, metalen, kleding, schoenen, textiel. Belangrijkste markten, EU 71,8%, VS 4,12%. Import - $184,1 miljard: petroleum, oliezaden, vliegtuigen, granen, chemie, machinerie, transportapparatuur, vis, consumentengoederen. Belangrijkste bronnen, EU 63,9%, VS 3,7%.
Gemiddelde wisselkoers (eerste halfjaar 2004): €0,815=US$1.


Mensen

De populatiedichtheid van Spanje, lager dan de meeste Europese landen, is ongeveer gelijk aan die van New England. In de laatste jaren trekt de bevolking van het platteland naar de steden, zoals in een groot gedeelte van de rest van Europa.
Spanje heeft geen officiële religie. De constitutie van 1978 onttroonde de Romeins-Katholieke Kerk als de officiële religie van het land, terwijl de rol in de Spaanse maatschappij wel groot is. Meer dan 90% van de bevolking is katholiek.


Educatief systeem

Ongeveer 70% van de Spaanse studentenpopulatie gaat naar openbare scholen of universiteiten. Het resterende gedeelte gaat naar privéscholen of -universiteiten, waarvan de meesten geleid worden door de Katholieke Kerk. Verplichte scholing start met de lagere school of met een algemene basisscholing voor de leeftijden 6-14. Dit is gratis op openbare scholen en op veel privéscholen, waarvan de meesten gesubsidieerd worden door de regering. Na het behalen van een diploma gaan de studenten of naar een middelbare school waar een algemeen schooldiploma geboden wordt, of naar een professionele scholing (overeenkomstig grade 9-12 in de Verenigde Staten) voor een beroepsopleiding. Het Spaanse systeem van universiteiten biedt speciale programma's voor na het afstuderen in alle vakgebieden - recht, scheikunde/natuurkunde/biologie, aardrijkskunde/geschiedenis en medicijnen - en de hogere technische scholen bieden programma's voor techniek en architectuur.


Kaarten van Spanje

Kaarten GPS Info.com - Nuttige informatie over kaarten en GPS inclusief bronnen voor diegenen die van plan zijn naar Spanje te reizen.


Geschiedenis

De Spaanse Iberisch schiereiland bestaat al sinds vele millennia. Enkele van de meest indrukwekkende Paleolithische culturele plaatsen bevinden zich in Spanje, inclusief de beroemde grotten bij Altamira met spectaculaire schilderingen daterend van ongeveer 15.000 tot 25.000 jaar geleden. De Basken, Europa's oudste overgebleven groep, zijn ook de eerste mensen die in het schiereiland geïdentificeerd werden.
Vanaf de negende eeuw voor Christus kwamen Feniciërs, Grieken, Carthagers en Kelten het Iberische schiereiland binnen. De Romeinen volgden in de tweede eeuw voor Christus en legden de basis voor de huidige taal, religie en rechten van Spanje. Ondanks dat de Visigoten in de vijfde eeuw na Christus kwamen, bleven de laatste Romeinse nederzettingen aan de zuidelijke kust staande tot aan de zevende eeuw na Christus. In 711 zeilden Noord-Afrikaanse Moren door de straten, kwamen Andalusië binnen en binnen enkele jaren verdreven zij de Visigoten naar het noorden, naar de Cantabriaanse bergen. De inspanningen van heroverwinning, om de Moren te verdrijven, duurde tot 1492. In 1512 was de hereniging van het huidige Spanje compleet.

Gedurende de 16e eeuw werd Spanje het machtigste land van Europa, vanwege de enorme rijkdom afkomstig uit de aanwezigheid in de Verenigde Staten. Maar na een aantal langdurige en kostbare oorlogen en opstanden, het verlies van de Engelsen van de "Onoverwinnelijke Armada" in 1588, begon het verval van de Spaanse macht binnen Europa. Tegenstrijdigheid inzake de opvolging van de troon hield het land in de 18e eeuw bezig, wat leidde tot de bezetting door Frankrijk in de Napoleontische era van 18e eeuw, en leidde tot een golf aan gewapende conflicten gedurende een groot deel van de 19e eeuw.

De 19e eeuw zag de revolutie en onafhankelijkheid van veel van de Spaanse kolonies in het Westerse halfrond: drie oorlogen over opvolgingsperikelen; de korte verdrijving van de monarchie en oprichting van de Eerste Republiek (1873-74); en, uiteindelijk, de Spaans-Amerikaanse oorlog (1898), waarin Spanje Cuba, Puerto Rico en de Filipijnen verloor aan de Verenigde Staten. Een periode van dictatorische heerschappij (1923-31) eindigde met de oprichting van de Tweede Republiek. Dit werd beheerst door groeiende politieke polarisatie, wat leidde tot de overwinning in de verkiezingen van de linkse Popular Front in 1936. Druk van alle kanten, samen met groeiend en ongecontroleerd geweld, leidde tot de uitbraak van de

Spaanse burgeroorlog in juli 1936.
Volgend op de overwinning van de nationalistische krachten in 1939, heerste generaal Francisco Franco een politiek en economisch uitgeputte natie. Spanje was officieel neutraal gedurende de Tweede Wereldoorlog, maar het volgde een pro-Axisch beleid. Daarom isoleerden de winnende geallieerden Spanje aan het begin van de na-oorlogse periode, en het land kwam pas in 1955 bij de Verenigde Naties. In 1959, onder een stabilisatieplan van het Internationale Monetaire Fonds, begon het land de handel en de geldstromen te liberaliseren, met name directe investeringen door het buitenland.
Ondanks het succes van de economische liberalisatie, bleef Spanje de meest gesloten economie in West-Europa - gezien vanuit de kleine maatregelen van buitenlandse handel en economische activiteit - en het tempo van hervormingen bleef achter in de 1960er jaren omdat de staat de economie bleef "sturen". Maar in de 1960er en 1970er jaren veranderde Spanje in een moderne industriële economie met een bloeiende toerismesector. De economische uitbreiding leidde tot verbeterde inkomensverdeling en hielp met de vorming van een grote middenklasse. Sociale veranderingen door economische voorspoed en de instroom van nieuwe ideeën hielp het stadium van de overgang van Spanje naar een democratie in de tweede helft van de 1970er jaren.

Met de dood van generaal Franco in november 1975, nam de door Franco zelf aangewezen opvolger Prins Juan Carlos de Borbon y Borbon de titels van koning en staatshoofd. Ontevreden met het trage tempo van de liberalisatie na de periode van Franco, verving hij de laatste eerste minister van Franco door Adolfo Suarez in juli 1976. Suarez trad in dienst met de belofte dat er binnen een jaar verkiezingen zouden komen, en zijn regering nam een aantal wetten aan om het nieuwe regime te liberaliseren. De eerste verkiezingen van Spanje sinds 1936 voor de Cortes (Parlement) werden op 15 juni 1977 gehouden. De Unie van het Democratische Centrum (UCD) van eerste minister Suarez, een gematigde, centrumrechtse coalitie, won 34% van de stemmen en daarmee het grootste aantal zetels in de Cortes.

Onder Suarez stelde de nieuwe Cortes een eerste versie van een democratische constitutie op die door een grote meerderheid van kiezers goedgekeurd werd in een nationaal referendum in december 1978.


Regering en politieke omstandigheden

Parlementaire democratie werd hersteld na de dood van generaal Franco in 1975, die sinds het einde van de burgeroorlog in 1939 heerste. De constitutie van 1978 maakt van Spanje een parlementaire monarchie, waarbij de eerste minister de verantwoording aflegt aan de Bicameral Cortes (Congres van gedeputeerde staten en de Senaat) die iedere 4 jaar gekozen wordt. Op 23 februari 1981 namen rebellerende leden van de veiligheidsdienst de Cortes in en probeerden een militaire regering op te leggen. Maar de grote meerderheid van de militaire krachten bleven loyaal aan koning Juan Carlos, die zijn persoonlijke autoriteit gebruikte om de niet-bloedige coup-poging de kop in te drukken.

In oktober 1982 versloeg de Spaanse Socialistische Arbeiderspartij (PSOE), geleid door Felipe Gonzalez, zowel het Congres van Afgevaardigden als de Senaat, waarbij hij met een absolute meerderheid won. Gonzalez en de PSOE regeerden de volgende 13 jaar. Gedurende die periode voegde Spanje zich bij de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) en de Europese Gemeenschap.

In maart 1996 won de Volkspartij (PP) van Jose Maria Aznar de meerderheid van de stemmen. Aznar decentraliseerde de macht naar de regio's en liberaliseerde de economie, met een privatiseringsprogramma, hervormingen van de werkgelegenheid en maatregelen om de concurrentie in bepaalde markten te verhogen. Gedurende de eerste termijn van Aznar integreerde Spanje volledig in de Europese instituties, waarbij het zich kwalificeerde voor de Europese Monetaire Unie. In deze periode nam Spanje deel aan militaire operaties in voormalig Joegoslavië, samen met de Verenigde Staten en andere NAVO-bondgenoten. President Aznar en de PP wonnen opnieuw in maart 2000, waarbij ze de absolute meerderheden kregen in beide parlementshuizen.

Na de terroristische aanslagen in de V.S. op 11 september 2001 werd President Aznar een sleutel-bondgenoot in het gevecht tegen het terrorisme. Spanje gaf militaire rugdekking tegen de Taliban in Afghanistan en nam een leidende rol binnen de Europese Unie (EU) in de druk voor verhoogde internationale samenwerking tegen terrorisme. De regering van Aznar, met een wisselende zetel in de VN Veiligheidsraad, ondersteunde de interventie in Irak.

De parlementaire verkiezingen in Spanje op 14 maart 2004 vonden slechts drie dagen na de verwoestende terroristische aanslag op de metro in Madrid plaats, waarbij 191 mensen omkwamen en meer dan 1.400 mensen gewond raakten. Met een grote opkomst won PSOE de verkiezingen, en haar leider, Jose Luis Rodriguez Zapatero, begon op 17 april 2004. De regering van Zapatero heeft coalitie-inspanningen in Afghanistan ondersteund, inclusief het behoud van de Spaanse troepen tijdens de verkiezingen in 2004, ondersteunde reconstructie-inspanningen in Haïti en werkte samen voor maatregelen tegen terrorisme. Zoals tijdens de campagne beloofd werden direct de troepen uit Irak weggehaald, maar ondersteunde de regering wel de inspanningen van wederopbouw in Irak.


Lokale regering

De constitutie van 1978 autoriseerde de creatie van regionale, zelfstandige regeringen. In 1985 hadden 17 regio's uit Spanje, de Canarische eilanden en de Balearen een zelfstandige status onderhandeld met de centrale regering. In 1979 werden de eerste zelfstandige verkiezingen gehouden in de Baskische en Catalaanse regio's, de regio's met de sterkste regionale tradities vanwege hun geschiedenis en aparte talen. Sindsdien zijn er in de resterende 17 regio's zelfstandige regeringen opgezet. De centrale regering gaat door met het afstaan van macht naar de regionale regeringen, die uiteindelijk de volledige verantwoordelijk zullen hebben voor gezondheidsvoorzieningen en scholing, net als andere sociale programma's.


Economie

Spaanse toetreding tot de Europese Gemeenschap - nu Europese Unie (EU) - in januari 1986 vereiste dat het land haar economie openstelde, de industriële basis moderniseerde, infrastructuur verbeterde en de economische wetgeving herzag om te voldoen aan de richtlijnen van de EU. Deze maatregelen zorgden ervoor dat het bruto binnenlands product (BNP) van Spanje groeide, de schulden in verhouding tot het BNP lager werden, de werkloosheid van 23% naar 15% ging in 3 jaar tijd en dat de inflatie tot onder de 3% zakte. De fundamentele veranderingen die overblijven voor Spanje bevatten het verminderen van de tekorten in de publieke sector, het verder verminderen van werkloosheid, het hervormen van de zakelijke wetten en regelgeving inzake investeringen, het verlagen van de inflatie en het laten groeien van het BNP per inwoner.
Volgend op enorme groei aan het eind van de 1980er jaren, kwam de Spaanse economie in mid-1992 in een recessie terecht. De economie herstelde gedurende de eerste regering van Aznar (1996-2000), gedreven door een terugkerend consumentenvertrouwen en verhoogde private consumptie, maar de groei stagneerde in de recentere jaren. Werkloosheid blijft een probleem op 10,5% (2004 schatting.), maar dit is nog steeds een aanzienlijke verbetering t.o.v. voorgaande niveaus. Devaluatie van de peseta in de 1990er jaren maakte de export van Spanje concurrerender, maar de sterkte van de euro sinds Spanje die aangenomen heeft, heeft in de laatste jaren gezorgd voor zorgen om de export van Spanje, aangezien de producten te duur worden voor buitenlandse kopers. Maar hier staat een vereenvoudigde handel met ander eurolanden tegenover.


Buitenlandse betrekkingen

Na de terugkeer van de democratie na de dood van generaal Franco in 1975, waren de prioriteiten richting het buitenland voor Spanje om uit de diplomatieke isolatie van de jaren van Franco te komen en de diplomatieke relaties uit te breiden, toetreden tot de Europese Gemeenschap en veiligheidsrelaties vast te leggen met het Westen.
Als een NAVO-lid sinds 1982 heeft Spanje zichzelf neergezet als een belangrijke deelnemer in multilaterale, internationale veiligheidsactiviteiten. Het EU-lidmaatschap van Spanje is een belangrijk onderdeel van het buitenlands beleid. Zelfs bij vele zaken buiten West-Europa coördineert Spanje haar inspanningen liever samen met de EU-partners middels het Europese politiek samenwerkingsmechanisme.

Met de normalisering van de diplomatieke relaties met Israël en Albanië in 1986 rondde Spanje het proces van universalisering van de diplomatieke relaties af. Het enige land waar Spanje nu geen diplomatieke relatie mee heeft is Noord-Korea.

Spanje heeft haar speciale identificatie met Latijns-Amerika behouden. Haar beleid benadrukt het concept van Hispanidad, een mix van linguïstische, religieuze, etnische, culturele en historische banden die Spaanssprekend Amerika verbindt met Spanje. Spanje is een effectief voorbeeld geweest van de transitie van autoritarisme naar democratie, zoals te zien is uit de vele reizen die de Spaanse koning samen met de eerste ministers naar de regio gemaakt heeft. Spanje behoudt economische en technische samenwerkingsprogramma's en culturele uitwisselingen met Latijns-Amerika, beide bilateraal en binnen de EU.

Spanje blijft ook aandacht houden voor Noord-Afrika, met name voor Marokko. Dit wordt ingegeven door de geografische nabijheid en de lange historische contacten, maar ook bij de twee Spaanse enclave-steden Ceuta en Melila aan de noordelijke kust van Afrika. Terwijl het vertrek van Spanje uit de voormalige kolonie van West-Sahara de directe Spaanse deelname aan Marokko beëindigde, behoudt Spanje een interesse in een vredige oplossing van het conflict dat de dekolonisatie met zich mee bracht. Deze problemen werden duidelijk bij een crisis in 2002, toen Spaanse machten een kleine samenzwering van Marokkanen ontzetten uit een minuscuul eilandje net buiten de kust van Marokko, nadat de natie een poging had gedaan om soevereiniteit over dat eiland uit te roepen.

Ondertussen is Spanje langzaamaan begonnen haar contacten met Afrika onder de Sahara uit te breiden. Zij heeft bijzondere interesse in de voormalige kolonie van Equatoriaal Guinea, waar het een groot hulpprogramma onderhoudt.
In relaties met de Arabische wereld heeft Spanje geprobeerd de Europese-Mediterraanse dialoog op te zetten. Spanje ondersteunt het "Barcelona Proces" van de EU waarbij de dialoog en handel tussen Europa en naties uit Noord-Afrika en het Midden-Oosten uitgebreid worden, inclusief Israël.

Spanje is erin geslaagd haar relaties met de twee Europese buurlanden, Frankrijk en Portugal, te beheren. De toetreding van Spanje en Portugal tot de EU heeft enkele periodieke handelswrijvingen weten te verzachten door deze in EU-context te plaatsen. De Frans-Spaanse bilaterale samenwerking is versterkt door de gezamenlijke acties tegen het Baskisch ETA-terrorisme. Banden met het Verenigd Koninkrijk zijn over het algemeen goed, behalve dan dat Gibraltar een gevoelige kwestie blijft.


Terug Naar Boven